1930

In 1901 werd in Limburg de eerste steenkool ontdekt. De ontginning van deze kostbare brandstof begon enkele jaren later.
In dezelfde periode groeide de staalindustrie in de omgeving van Luik. De smeltovens die in de fabrieken werden gebruikt, hadden steenkool en ertsen nodig. Die grondstoffen moesten op een snelle en goedkope wijze worden vervoerd.
De bestaande kanalen waren hiervoor niet geschikt. Grote schepen konden er niet varen. Ook de lengte van het kanaal (155 km) stelde een probleem. Het duurde te lang om een bepaalde bestemming te bereiken. Zo duurde het minimum 15 dagen om van Antwerpen naar Luik te varen. Er waren dan ook 24 sluizen op het traject, met de hand te bedienen.

Er was dus nood aan een nieuwe en moderne waterweg. Deze moest de industriestad Luik met Antwerpen verbinden en door de Kempense mijnstreek lopen.

Op 31 mei 1930 stak Koning Albert I de symbolische eerste spadesteek van het nieuwe kanaal dat naar hem werd genoemd.

Er werd gedurende negen jaar aan gewerkt door bijna 12.000 mensen. De lengte van het kanaal bedraagt 130 km tussen Luik en Antwerpen. Het hoogteverschil tussen beide steden is 55m. Dit verschil wordt door zes sluizen overwonnen.